Archeologen leggen de vroege geschiedenis van Friese watersportplaats bloot

In het kader van de voorbereiding van de aanleg van het bedrijventerrein Hemmen 3 in Sneek ontdekten archeologen iets bijzonders: meer dan tweeduizend jaar geleden werd daar, op een kleine veenterp, al lood bewerkt. Lood was in die tijd een zeer zeldzaam metaal. En er moet ook een boerderijtje hebben gestaan, maar dat is spoorloos. Wat rest van de werkplaats en het boerderijtje zijn een in de waterput gevonden eikenhouten plank met twee deuvels, complete potten en een loden spinklosje.

plank-webversie

Fragmenten van een plank, gemaakt van eikenhout. Aan de spintzijde zijn twee deuvels in het hout geslagen. Afkomstig uit waterput (7de eeuw na Christus).

1000 Jaar vóór Christus was de Middelzee een groot veengebied. Door stijging van de zeespiegel en stormen werd klei op het veen afgezet en werden ook veenpakketten weggeslagen. Vanaf 800 na Christus werd er veen afgegraven voor de winning van turf als brandstof en zout door verbranding. Het winnen van zout uit door veelvuldig door de zee overspoeld veen heet moernering, selnering of darinkdelven. Deze voor de Middeleeuwen (500-1500) typische economische activiteit vond ook bij Sneek plaats. Het veen verdween in de loop der eeuwen, mede door ontwateringsactiviteiten. Het klonk in en de Middelzee werd groter.

Sneek aan zee

In het voor de mens aantrekkelijke veenlandschap van ‘Sneek aan Zee’ ontstonden al vanaf het begin van de jaartelling talrijke huisterpjes: door de mens gestaag opgehoogde verhogingen in het landschap met een boerderijtje of werkplaats. Men probeerde zo zelfvoorzienend en duurzaam mogelijk te zijn. De terpbewoners hielden vooral koeien, schapen, geiten, paarden en honden.
Archeoloog Yvonne Boonstra van de gemeente Súdwest-Fryslân: “Recycling is vermoedelijk een van de redenen dat we zo weinig metaal vinden in de veenterpen. Het was kostbaar en werd daarom steeds hergebruikt als een voorwerp kapot was. Des te opvallend was de vondst van diverse loden smeltfragmenten en een loden spinklosje. In deze regio is metaal, en helemaal lood, vrij zeldzaam. Uit de metaalanalyse blijkt dat het om zeer zuiver tot puur lood gaat. Van recycling is dan waarschijnlijk geen sprake, want dan is de kans groot dat er vermenging is met andere metaalverbindingen. Vooralsnog lijkt deze metaalbewerking een nijverheid die niet elk huishouden zelf regelde, maar echt specialistisch was. In die zin kunnen we dus spreken van een kleinschalig en zeer vroeg industrieel terpje.”

Boerderij onvindbaar

Op Hemmen 3 is nog geen duidelijke boerderij of andersoortige bebouwing aangetroffen. Boonstra en haar collega’s zoeken nog: “De top van de terp is door erosie wel verdwenen, maar diepere sporen van bebouwing blijven doorgaans goed bewaard. Denk hierbij aan paalkuilen bijvoorbeeld, soms nog met resten van palen. Dat komt doordat klei- en veengrond zeer goed zijn voor de conservering van hout en andere vergankelijke materialen en voorwerpen, zoals touw.”

Boonstra acht het onwaarschijnlijk dat de metaalbewerking plaatsvond in de open lucht: er zijn aanwijzingen voor een haardplaats. Ook is er verbrande klei aangetroffen, soms met afdrukken van vlechtwerk, aanwijzingen voor het bestaan van vloeren en muren. Ook het keukenservies duidt op een doorsnee gezinnetje van rond de jaartelling. Uit botmateriaal blijkt dat er ter plaatse werd geslacht. “Maar waar het gebouw zelf is gebleven, blijft een mysterie.”

Zwette overblijfsel van de Middelzee

De Sneeker veenterp werd ergens in de eerste eeuw na Christus verlaten, maar bleef lange tijd herkenbaar als verhoging in het landschap. Omstreeks de zevende eeuw na Christus was er weer activiteit. Daar wijzen twee waterputten op. De terp verdween daarna onder het slib, door overstromingen van de grote zeearm Middelzee.

Ook plaatsen als Leeuwarden, IJlst, Bolsward en Firdgum (Waddenland) lagen aan of nabij de in de derde eeuw na Christus geleidelijk ontstane Middelzee. Bolsward lag eerst aan de zeearm Marne, die zich omstreeks 500 na Christus met de Middelzee verbond. De terpenrijke regio Westergo werd toen een eiland.

De tweedeling van het Friese zeekleigebied duurde tot in de 16-de eeuw. In de periode 1200 tot 1700 werden, mede door in kloosters gehuisveste monniken, dijkjes en keersluisjes aangelegd. Geholpen door slibaanwas werd de Middelzee zo drooggelegd met als enige overblijfsel de rivier de Zwette tussen Leeuwarden en Sneek, een onderdeel van de Elfstedenroute.

(Bron: Frysk Nijs)